Naar de markt en een ceremoniele begrafenis
Het is 21.30 uur en buiten barst de hemel los, compleet met onweer en bliksem. Als het hier eenmaal regent, dan regent het goed. De regentijd duurt dit jaar langer dan normaal. Overdag is het droog en zonnig en rond 15.00 uur begint het te plenzen. Julius heeft gezegd dat hij een zwarte kip gaat slachten, zodat het stopt met regenen. Tja.....
We hebben een indrukwekkende dag achter de rug. Na het ontbijt zijn we rond 9.00 uur vertrokken om 'gezellig' naar de markt te gaan. Nu hadden we in het buitenland al een paar keer een markt bezocht, dus we waren voorbereid op wat we eventueel te zien zouden krijgen. Maar dit overtrof alles....
Op de markt aangekomen kwamen we eerst langs een plek waar hanen werden gekeurd en verkocht. Mooie statige beesten. Ze worden hier gebruikt om hanengevechten mee te houden. Bij ieder huis staat wel een bamboe kooi met zo'n beest. De mannen zijn trots dat ze hun haan kunnen showen. Een mooie grote haan geeft hen een bepaalde status. Onder een net zitten hanen gevangen en een loslopende haan pikt ze laf met zijn snavel door het net heen.

Een Karbouw.
Verderop gelopen komen we langs kraampjes met groenten en fruit in allerlei soorten en kleuren. Je krijgt zowaar zin om te koken.
Dan staan we ineens bij een enorm terrein waar karbouwen worden verpatst. Dit zijn grote zwart/grijze runderen met enorme hoorns op hun kop. De één nog groter dan de ander. Met een touw door de neusgaten worden ze in bedwang gehouden. Onder luid geschreeuw wordt door mannen koortsachtig onderhandeld. De karbouw is een belangrijk beest voor de bevolking. Hij dient o.a. voor het werk op het land, om gras weg te grazen, voor de slacht, om cadeau te geven bij bijvoorbeeld een begrafenis of bruiloft en voor de status. Bij verkoop van land wordt zelfs in karbouwen gerekend. Hoe ouder de beesten worden hoe meer waard ze zijn. Op de vraag waarom een karbouw zo kort met een touw door zijn neus aan een boom vastgebonden zit, zodat hij nooit bij de grond kan komen om te eten, antwoordt Julius dat de hals van het beest daardoor steviger wordt en de kwaliteit van de ham die ze ervan maken beter.
Terwijl we daar de boel bedenkelijk staan te bekijken, komen af en aan kruiwagens en scooters voorbij rijden met een op de zij vastgebonden zwart varken. Levend! De beesten krijsen en trillen van de stress. Afschuwelijk... Verderop komen we langs de hokken waar de varkens worden gekeurd en verkocht. Ook hier weer luid gekrijs als er eentje wordt uitgekozen en achterop de scooter word vastgebonden. Op de grond langs de hokken liggen levende varkens op hun zij, vastgebonden aan bamboestokken, wachtend op wat gebeuren gaat. De ademhaling die hun borstkast doet schudden toont dat de beesten doodsbenauwd zijn. Ik kan het niet meer aanzien en loop een andere kant op. Op de wegen is het een wirwar aan toeterende auto's en scooters. Zelfs lopend kom je er haast niet doorheen. Op de achtergrond galmt over de drukbezochte markt een stem hard door de speakers.
Gelukkig komen de mannen er nu ook aan. We stappen een eind verderop weer in het busje en we zijn allemaal een beetje beduusd van het hele gebeuren. Onze culturen botsen op dit gebied, dat is duidelijk. Natuurlijk beseffen we dat dit hoort bij het leven in dit land. Julius had ons eerder verteld dat de varkens en karbouwen ook als cadeau worden meegebracht naar een begrafenis of bruiloft en dat we dat vandaag te zien krijgen.
Onze volgende bestemming is dan ook een ceremoniële begrafenis hoog in de bergen van Torajaland. We rijden met het busje door de bergen over smalle haast onbegaanbare stukken weg. Onderweg komen we regelmatig tegenliggers tegen. Hoe ze het doen is niet te geloven, maar het lukt ze om elkaar te passeren. Regelmatig kijk ik door mijn raampje rechtstreeks het met o.a. koffiestruiken begroeide ravijn in. Met mijn ogen dicht en mijn vingers in mijn oren wacht ik plat liggend op de achterbank met spanning af of het busje niet het ravijn in rolt. De mannen blijven gelukkig rustig, maar aan hun gemompel te horen hebben zij af en toe ook hun twijfels over de capriolen die de chauffeurs hier uithalen.
We passeren mooie vergezichten en stekjes met de karakteristieke Trojaanse huisjes. Deze huizen staan hoog op palen gebouwd en hebben de vorm van een Prahu (Boeginese schoener). Ze zijn mooi beschilderd met allerlei motieven en in mooie kleuren. Langzamerhand raken de kleinere huisjes onbewoond, omdat de bewoners liever een groter en moderner huis willen. De nieuwe huizen worden naast de oude gebouwd. De oude huisjes worden veelal niet gesloopt, maar als tweede huisje gebruikt.

Karakteristieke Torajaanse huizen.
We hobbelen en schudden rustig over, langs en door gaten in het slechte wegdek. Dan ineens een opstopping bij een bocht. We zien niet wat er aan de hand is maar we moeten in ieder geval achteruit. Buiten het 'gerengdengdeng' gepraat van mannetjes die het verkeer regelen. Terwijl we met een aantal auto's in de 'berm' staan te wachten komt er een gigantische vrachtwagen met een sjofel achterop de hoek om. Het is krap en het past allemaal maar net maar even later kunnen we weer verder rijden.
We komen aan bij de plek waar de ceremonie plaats zal vinden. Degene die begraven wordt is al ruim een half jaar geleden overleden. Om het lichaam goed te houden is het geinjecteerd met een bepaald goedje, waardoor het in goede staat blijft. Het wordt in doeken gerold bewaard.
Als we het busje uitstappen, horen we het gekrijs van varkens. We zien nog net dat ze op hun kop vastgebonden, met hun poten aan bamboestokken worden weggedragen. Het is een vieze blubberbende en we trekken dichte schoenen met profielzolen aan zodat we straks niet achterover in de blubber glijden.
Hoe dichter we bij de ceremonie komen des te wantrouwiger we worden. Na enige tijd belandden we bij een soort arena omringd met overkapte houten tribunes. Het is een drukte van jewelste. Mensen in vooral zwarte kleding zien er opgewonden uit. In het midden van het veld staat een grote rechthoekige metalen bakoven boven een enorm houtvuur. Er voor ligt een kop van een karbouw die in de ochtend ceremonieel geslacht is. Op de grond liggen her en der de vastgebonden varkens op hun zij te shaken. Julius zegt dat de familie ons uitnodigt om op het bordes te komen zitten. Een soort VIP-plaats waar alleen de familie mag zitten. We trekken onze met modder besmeurde schoenen uit en klimmen het kleine bordes op. In kleermakerszit nestel ik me naast een oud vrouwtje die, als ik haar de hand schud, met een brede lach haar vuurrood besmeurde tanden laat zien. Wat ze gegeten heeft weet ik niet precies, maar het zag er luguber uit. We krijgen koffie en thee aangeboden en Julius geeft hen de op de markt gekochte slof sigaretten. Dat schijnt een favoriet cadeau te zijn bij dit soort begrafenissen. De sigaretten worden uitgedeeld aan de gasten.
Danny voelt zich niet op zijn gemak op het bordes en na een kwartier besluiten we om te vertrekken. We bedanken de familie, trekken onze schoenen weer aan en klimmen naar beneden. We hebben de sfeer van een ceremoniële begrafenis geproefd, maar we laten het hierbij. Wat zich hier verder af gaat spelen laat zich wel raden. Ik kijk nog achterom en zie boven het bordes, waar we gezeten hebben, een rol bekleed met een rode stof liggen. Julius vertelt dat daar het lijk ingerold ligt. Deze begrafenis is van mensen uit de middenklasse. Bij begrafenissen van de hogere klasse worden hele voetbalvelden afgehuurd. Op de weg terug worden langs de kant varkens geslacht en op het vuur gegooid. Gauw wegwezen hier!

Een soort rotsmausoleum.
We hobbelen en schudden weer verder over de bergweggetjes en komen veel mausoleums tegen. Soms in de vorm van een versierd huisje en soms in de vorm van een versierde rots. In de rots wordt een ruimte uitgebikt waar de doodskisten achter een deurtje worden gelegd. De rots bestaat vaak uit meerdere ruimtes en soms liggen er hele families in 'begraven'. Regelmatig komen we onderweg vrachtwagentjes tegen die van de markt terug komen. Hun lading bestaat uit karbauwen of puilt uit van de mensen.
Als laatste krijgen we een plek te zien waar obelisken staan. Sommigen 7 à 8 meter hoog. Ze staan er als een soort grafmonument. De mensen die de obelisken naar hun plaats brengen zijn daar tijden mee bezig. Met behulp van bamboepalen worden ze stukje bij beetje steeds dichter bij de begraafplek gebracht. Een enorme zware klus.
We hebben voor vandaag genoeg graven gezien en besluiten terug naar het hotel te gaan. Boven de bergen pakken donkere wolken zich samen en er ontstaat een hevig onweer. Een schitterend gezicht. Door de regen hobbelen we terug naar de beter begaanbare wegen. Vlakbij het hotel eten we nog wat in een restaurantje.
We hebben vandaag dingen gezien die we niet gauw zullen vergeten.

Zie video: Sulawesi, grafkamer in rots hakken.
Torajaland
Rond 7.30 uur in de ochtend zaten we weer aan de Nasi goreng met omelet en boontjes. Mijn laptop op tafel om het verhaal “Op weg naar Pare Pare” te schrijven.
Vandaag vertrekken we naar Rantepao in Toraja. Het is ongeveer 8 rijden. Onderweg vervelen we ons geen seconde. Er valt zoveel te zien. Ook hier weer de scootertjes die in het verkeer overal tussendoor laveren. Onze chauffeur rijdt rustig en goed.
Onderweg stappen we regelmatig uit om onze fototoestellen te gebruiken. De rijstvelden zijn hier vlak, dus niet zoals je ze op Java en Bali ziet. Langs de wegen liggen kruiden, cacao en mais te drogen op stukken grondzeil. We stoppen bij een wegrestaurant met uitzicht op de erotische berg Gunung Nona. Achterin een hoekje kan ik mijn laptop aansluiten op een LAN verbinding. Mijn laptop staat op een laag tafeltje en ik prop mijn achterwerk in een kunststof kinderstoeltje. Het lukt! Ik krijg snel verbinding met het internet en kan nu wel mijn verhaal op het reislog zetten. We drinken nog wat en na een klein uurtje rijden we weer verder.

Gunung Nona
De zon schijnt volop en het is warm buiten. Gelukkig heeft het busje waar we in rijden airconditioning. Onderweg weet Julius veel te vertellen over het eiland en zijn gewoontes. Je zou bijna denken dat iedereen hier zomaar een huisje langs de kant van de weg kan bouwen, maar dat is niet zo. De grond wordt verhuurd of verkocht door de eigenaar en daarna kun je er met toestemming een huis op bouwen. De mensen zijn hier zo arm, je vraagt je werkelijk af hoe ze aan het geld komen om een stuk grond te kopen. Heel veel mensen werken niet en leven van wat de natuur hen biedt.
We zien veel groepjes schoolkinderen in uniform langs de weg lopen. Als we weer ergens zijn gestopt om foto’s te nemen, komt er net een groepje knulletjes aanlopen. Natuurlijk willen ze wel gefotografeerd worden. Met een hoop kabaal poseren ze erop los. Gelukkig verplicht de staat tegenwoordig alle kinderen om naar school te gaan. Dat is goed voor de ontwikkeling van het land.
Verderop stoppen we bij een prachtig landschap. Er staat een enorme Karbauw langs de kant van de weg te grazen. Bij een stalletje krijgen de mannen een alcoholisch drankje aangeboden. Het is gemaakt van de palmboom. Danny en Tjeerd vinden het maar zuur, niet lekker dus. Ze vertrouwen het zelf gebrouwde goedje niet. We rijden weer verder.
Rond 15.00 uur rijden we door de poort van Torajaland. In dit gedeelte van Sulawesi staan de karakteristieke huizen in de vorm van een boot. Een immens standbeeld staat op de rotonde. Julius verteld dat het een strijder is, Cilimen of ook wel Pongtiku Tirri’lada. De mannen stappen uit om er foto’s van te nemen.

De poort naar Torajaland.
Rond 16.00 uur komen we aan bij het hotel. Het hotel is in de Torajaanse stijl gebouwd. Onze appartementjes zijn gebouwd in een koloniaalse stijl. ’s Avonds eten we in een restaurantje in de buurt weer heerlijk eenvoudig. Danny bestelt sambal bij zijn eten en krijgt een schaaltje met verse fijngestampte pepers. Het ziet er verraderlijk heet uit. In niets lijkt het op de sambal die wij thuis gebruiken. Tjeerd en ik kijken wantrouwig in het bakje. Danny zegt dat hij wel wat gewend is op het gebied van hete sambal. Als hij een hap neemt kan hij nog even de schijn ophouden, maar binnen een paar seconden druipt het zweet van zijn vuurrood geworden gezicht. Hij geeft toe dat deze sambal toch heter is dan hij dacht. Hij bestelt maar een glaasje bier om na te blussen.
Als we terug komen bij het hotel lopen we onder luid gezang van o.a. krekels naar onze appartementen.
Nog even dit verhaal schrijven en dan lekker onder de lakens. Morgenochtend weer vroeg op.
Selamat tidur. Tot morgen!
Op weg naar Pare Pare
We hebben een goede nachtrust gehad. Dat kon ook niet anders na zo’n lange reis. We hadden om 10.00 uur afgesproken met Julius, dus zaten we om 9.00 uur aan het ontbijt dat bestond uit lauwe nasi goreng met wat lente-uitjes en kroepoek. Inmiddels zijn we aan dit ontbijt gewend geraakt. Ik vind het lekker.
Pare Pare wordt vandaag onze bestemming. Een stad aan de westkust van Sulawesi. Onderweg stoppen we bij Fort Rotterdam. Een oud Nederlands fort uit de 18e eeuw. Er is een eenvoudig museumpje bij met o.a. een maquette van de Borobodur en de Prambanan, een muntenverzameling, handgemaakte poppen en een wandschildering van de ontwikkeling van de mens van homo sapiens tot homo erectus. Het fort wordt gerenoveerd en staat gedeeltelijk in de steigers.
We rijden verder naar Portetere’ de traditionele haven van Makassar. In de haven zien we de bekende Prahu’s (Boeginese schoeners). Er wordt hard gewerkt. Vooral zwaar werk. Mannetjes met sixpacks sjouwen zomaar even 4 grote, zwaar uitziende zakken op de schouder. Ze bestaan nog hoor dames, de sterke mannen! Veel bootjes komen van de eilanden naar Makassar om proviand e.d. in te slaan. Op de schepen vindt veel onderhoud plaats. Het is een bedrijvig geheel. Julius vertelt dat de regering niets doet aan de vervuiling van de haven. Het water is inderdaad smerig. Er drijft veel afval in.

We rijden door naar de waterval Bantimurung. Het is er erg rustig in deze tijd van het jaar. Normaal gesproken kun je hier over de hoofden lopen, vertelt Julius ons. De waterval is groot en rondom het watergeweld zitten wat mensen op bamboematjes te relaxen. Het is een soort waterpretpark in de natuur. Aan de stapels luchtbanden te zien valt hier in de vakanties een hoop waterplezier te beleven. Omdat het regenseizoen net achter de rug is, is het water troebel, normaal gesproken is het helder. Prachtige grote vlinders zweven er rond. Vlinders die je bij de ingang ingelijst kunt kopen. “Belanda’s” hebben pech. De vlinders komen in Nederland niet door de douane. We waren ook niet van plan om deze prachtige beesten achter glas aan de muur te hangen.
We wandelen een beetje in het park rond en beklimmen een lange stenen trap naar een soort druipsteengrot. Boven aangekomen, puf puf… zweet zweet… ziet de grot er niet erg indrukwekkend uit. We besluiten om weer terug naar beneden te gaan. Helaas wordt in dit park ook weer veel troep neergegooid. Bij de ingang eten Tjeerd en Julius een geroosterde maïskolf. Tjeerd is hier met zijn blonde haar en blanke huid weer een bezienswaardigheid. Zonder hem aan mijn zijde val ik niet echt op tussen de mensen. Danny wordt bekeken als een twijfelgeval.
We rijden verder en onderweg valt weer enorm veel te zien. Veel zelfgebouwde huisjes op palen en mooie landschappen. De huizen staan oppalen omdat ze daardoor wat minder gauw instorten bij een aardbeving en in geval van overstromingen tijdens het regenseizoen.
In Sulawesi wordt sinds een paar jaar het wegennet vernieuwd. Regelmatig komen we nieuwe bruggen tegen in allerlei opvallende kleuren. Het wegennet is er nog niet op aangesloten. Ze zijn nog lang niet klaar met de klus.
Nabij Pare Pare stoppen we bij een restaurant aan een strandje. We hebben prachtig uitzicht op de zee. We bestellen Nasi goreng, Ajam ketchap en Oedang manis. Eenvoudig en erg lekker. We wachten nog tot de zon ondergaat, zodat we daar wat foto’s van kunnen maken. Ondertussen staat er een jongetje van ongeveer 9 jaar naast ons met een grote sigaret tussen zijn vingers. Hij rookt over z’n longen, een vreemd gezicht. Ik bekijk hem met afgrijzen, maar het maakt geen indruk op hem. Hij paft gewoon door.
Rond 18.30 uur komen we aan bij het hotel in het centrum van Pare Pare. Het hotel heeft geen internet, maar er is wel een internetcafé om de hoek. Eerst even een heerlijke douche nemen en schone kleren aantrekken. Bij het internetcafé lukte het me niet om mijn reislog te openen en ons verhaal er op te zetten. Hopelijk kunnen we morgen nog ergens een internetverbinding vinden.
Tot gauw!
Business class en rammelkist
We zijn gisteravond rond 20.30 uur aangekomen op de Luchthaven in Makassar. Het was best een vermoeiende reis. We hebben met allerlei soorten en maten vliegentuigen gevlogen. De luchthavens varieerden van super de luxe tot oud en vervallen.
We begonnen onze reis natuurlijk op Schiphol. Erik heeft ons erheen gebracht en Lisette heeft Danny afgezet. Het inchecken verliep vlot, totdat Danny aan de beurt was. Er was een probleem met zijn vliegticket. Zijn naam op zijn ticket was niet hetzelfde als in zijn paspoort. Sjeesus, wat nu? Bij de balie waar hij zijn probleem moest melden vertelde de medewerker dat Danny geluk had dat zijn ticket veranderd kon worden. Het schijnt normaal zo te zijn dat er niets anders op zit dan een nieuw ticket te kopen.
Wij weer terug naar de incheck balie. Na enige consternatie kwam een Indonesische regeltante van Malaysia Airways ons vertellen dat het vliegtuig overboekt was en dat ze alleen nog plaats over had in de Business class. Of we dat okay vonden. Nou, daar hoefden we niet lang over na te denken. Met een kleine bijbetaling van 45 euro zaten we, nadat we afscheid hadden genomen van Erik, anderhalf uur later als vorsten in het super de luxe business class gedeelte van het vliegtuig. De bediening was grandioos. Het ontbrak ons aan niets. De maaltijden bestonden uit uitgebreide starters en hoofdmaaltijden vergelijkbaar met restaurant kwaliteit geserveerd op gedekte vliegtuigtafeltjes. Het glaasje wijn maakte het compleet. Na de maaltijden konden we heerlijk languit nagenieten in stoelen die van alle gemakken waren voorzien. Gelukkig wisten we toen nog niet wat ons nog te wachten stond.
De reis viel mee, dankzij de comfortabele sfeer in de business class. Rond 10.30 am kwamen we aan in Kuala Lumpur, de vertrouwde mooie, schone, glimmende luchthaven van Maleisie. Na enige uurtjes rond gehangen te hebben vertrokken we in de iets minder luxe economy class richting Jakarta.

De luchthaven van Kuala Lumpur.
De landing was weer perfect. Dat kunnen de piloten van Malaysia Airways wel. Vanaf luchthaven Jakarta Soekarno Hatta namen we de taxi naar de Lion Air terminal. Deze luchthaven is vergelijkbaar met een mierenhoop. De vluchttijd was 15.40 uur. We moesten dus nog even wachten, hangen eigenlijk. In de buurt van de luchthaven is, behalve de vele bekende eettentjes, weinig vertier. We besloten om onze koffers alvast in te checken en buiten op een bankje het bedrijvige volkje te bekijken.
Ruim een uur voor vertrek zijn we in de wachtruime van de gate gaan zitten. Wat een drukte. Af en toe werd er wat in Bahasa omgeroepen. Op een gegeven moment klonk er na zo’n vermelding over de speakers een eenstemmig “Ohhhh!!” en men begaf zich in groten getale naar de dichtstbijzijnde eettentjes waarna overal in de typische Indonesische hurkzit uit plastic bakjes werd gegeten. Daaruit konden we duidelijk opmaken dat onze vlucht flink was vertraagd. Het duurde en het duurde. Toen ik van mijn stoel opstond om naar de status van onze vlucht te informeren, was mijn plaats onmiddellijk vergaan. Bij de balie kon een medewerker vertellen dat onze vlucht nog een uur vertraagd was. Nog een uur wachten. Nu staand, want alle stoelen waren bezet. Uiteindelijk vertrokken we 2 uur later in een nog kleiner en krapper vliegtuigje dat aan alle kanten rammelde. Rond 21.15 uur landden we op Makassar, Sulawesi. Julius, onze gids en Augustinus de chauffeur, stonden ons al op te wachten en brachten ons naar ons hotel dat ongeveer 30 minuten vanaf de luchthaven was.
We fristen ons snel een beetje op en zaten rond 22.20 uur aan de Nasi goreng met Saté. Na een vermoeiende dag lagen we om 23.30 uur in bed.
Er zijn hier weinig internetmogelijkheden. Dit verhaal zet ik in het dichtstbijzijnde internetcafé, m.b.v. een usb-stick, op de website. Ik ben bang dat we niet vaak de gelegenheid zullen krijgen om jullie op de hoogte te houden van onze reis. We zullen wel zien.
Tot de volgende keer!
Moeder Aarde is erg onrustig
Helaaszijn de afgelopen week delenvan Indonesië getroffen door natuurrampen. De Merapi vulkaan op Java is uitgebarsten. Veel slachtoffers zijn gevallen onder de bevolking die aan de voet van de vulkaan wonen.

Het eiland Sumatra heeft met een aardbeving te maken gehad met een kracht van 7,2 tot 7,5 op de schaal van Richter. De tsunami die daardoor ontstond heeft op de Mentawai eilanden aan veel mensen het leven gekost en 400 mensen worden nog vermist.

Kortom, Moeder Aarde is erg onrustig.
Misschien is het een geruststelling om te weten dat wij naar een ander deel van Indonesië gaan, namelijk Sulawesi. Dit eiland ligt op grote afstand van de getroffen gebieden. Evengoed beseffen we dat wij ons daar ook in risicogebied bevinden.
Met ons eerste bordje snert al achter de kiezen en een lange vliegreis in het vooruitzicht, zullen we ons zaterdagochtend slepend met onze koffers naar het station begeven om van daaraf met de trein naar Schiphol te vertrekken. Inchecktijd Schiphol: uiterlijk 9.30 uur. Om 12.00 uur verlaat ons vliegtuig ons koude kikkerlandje.
Bestemming: Kuala Lumpur → Jakarta → Makassar (Sulawesi). Aankomst Makassar: zondag 31 okt. om 19.10 uur.
De weersvoorspellingen voor Sulawesi zien er momenteel niet gunstig uit. Veel onweer en regen, maar evengoed een hoge temperatuur, 32 graden. We zullen de Hollandse koelte nog missen als wij, Danny en ik, Tjeerd is 'hittebestendig', straks in het Verre Oosten de warmte proberen te trotseren. We zullen ons zonodig tegen de regen wapenen met paraplu's en de wegwerp-regenponcho's van Xenos.
Wordt vervolgd....